top of page
  • Tinne Horemans

12.5 Taurus bezoekt een stoïcijn die kreunt van de pijn

Filosoof Taurus legt uit hoe je volgens de stoïcijnen met pijn moet omgaan.

RAAMVERTELLING: TAURUS & LEERLINGEN OP REIS

1 Toen filosoof Taurus een reis maakte naar Delphi om de Pythische Spelen (1) te zien en ook de mensenmassa die daar uit haast alle hoeken van Griekenland was samengestroomd, reisden wij mee. Tijdens onze reis, bij een tussenstop in Lebadia - een oud stadje in Boeotië - hoorden we dat zijn vriend doodziek het bed moest houden. Deze vriend was een beroemd stoïcijns filosoof.


Tussenstop: stoïcijnse vriend kreunt van de pijn

2 Omdat Taurus zich niet wilde haasten, liet hij zijn reisdoel varen. Hij stapte van de wagen en ging meteen op weg naar zijn vriend. En we volgden - zoals altijd, waarheen hij ook ging. Toen we aankwamen bij het huis van de zieke, zagen we een man met hevige maagkrampen, κόλον noemen de Grieken dat (2). Hij had ook hoge koorts. Gesmoorde zuchten hoorden we. Gehijg en gekreun ontsnapten uit zijn borst - wat allemaal niet zozeer de pijn verried, wel de strijd die hij leverde tegen de pijn.

3 Taurus liet een dokter komen en besprak met hem de behandelwijze. Hij complimenteerde zijn vriend met zijn uithoudingsvermogen, wat hem de kracht gaf vol te houden. Toen wij weer arriveerden bij de rest van het gezelschap dat nog bij de wagen stond (3), zei Taurus: "Dit tafereel stemde niet bepaald vrolijk. Toch is het goed dat jullie kennismaken met een zieke filosoof die met zijn pijn worstelt. Jullie zagen hoe de ziekte doet wat haar eigen is: het lichaam pijnigen en ruïneren. De rede en de geest daarentegen doen wat hen typeert: weerstand bieden tegen de heftige, extreme pijn, er een vuist tegen maken - en dat volhouden tot het bittere eind. Mijn vriend huilde niet, hij klaagde niet en zei niets onfatsoenlijks. Toch zag je duidelijk hoe deugd en lichaam met elkaar om de heerschappij streden."


Pijn dwingt de stoïcijn tot kreunen. Maar een stoïcijn kàn toch niet gedwongen worden?, vraagt een leerling

4 Een jonge leerling van Taurus, niet ongeoefend in de filosofie, zei: "De pijn is zo fel dat ze zijn vermogen iets vrij en rationeel te beslissen in het gedrang brengt: ze dwingt de man te zuchten en zo het kwade van deze boze ziekte te erkennen. Tegen zijn wil in. Waarom beschouwen de stoïcijnen pijn dan als iets onverschilligs en niet als iets kwaads? (4) En hoe kan een stoïcijn überhaupt tot iets gedwongen worden? Hoe kan pijn hem tot iets dwingen? Stoïcijnen beweren toch dat pijn niets kan afdwingen en een wijze niet tot iets gedwongen kan worden?" (5) Deze vragen, die Taurus' betoog had opgeroepen (§3), raakten de kern van de stoïcijnse leer. En ze stemden Taurus vrolijk, omdat hij zelf over deze kwestie geschreven had.


De stoïcijnse leer is soms in tegenspraak met zichzelf, antwoordt Taurus

5 De vragen namen hem helemaal in beslag, hij fleurde weer op. Enthousiast antwoordde hij: "Als het beter zou gaan met m’n dierbare vriend, zou hij dit onvrijwillige zuchten verdedigen tegen een kritische opmerking als deze, dat weet ik zeker. Hij zou die lastige kwestie voor je uitklaren. Verder weet je ook dat ik het niet eens ben met wat de stoïcijnen beweren, of liever: de stoïcijnse school beweert. Die leer is vaak in tegenspraak met zichzelf en niet te verzoenen met mijn leer (6). Dat lees je ook in m’n boek, dat gaat over dit probleem (7).


6 Maar ook ik wil je ter wille zijn. 'Niet op academische, wel op populairwetenschappelijke wijze' zoals je dat zegt, zal ik je vertellen, wat een stoïcijn - stel dat die erbij was - wellicht op een erudietere en breedvoerigere wijze had geformuleerd (8). Je kent toch die oude, welbekende uitspraak: Spreek niet zo erudiet en hou het helder?" (9) Volgens dit principe gaf Taurus een betoog over de pijn en het gezucht van de zieke stoïcijn:

TAURUS' BETOOG

7 "De natuur, moeder van alles, heeft ons voortgebracht", zei Taurus. "En zij heeft ons net na de geboorte van eigenliefde voorzien, van zelfliefde doordrenkt. Die liefde is zo groot dat niets voor ons belangrijker of dierbaarder is dan wijzelf. Dit garandeert volgens de natuur het eeuwige voortbestaan van de mens. Dat iedereen bij de geboorte belangstelling en genegenheid opvat voor wat de oude filosofen de eerste natuurlijke dingen (Gr. τἀ πρωτα κατἀ φύσιν) noemen. Je wordt aangetrokken tot alles wat aangenaam is voor je lichaam, en je deinst terug voor alles wat onaangenaam is voor je lichaam. Na een aantal jaren is de rede, in de kiem aanwezig, gerijpt. Je leert hier bewust gebruik van maken: je krijgt inzicht in wat werkelijk deugdzaam en nuttig is, je leert nauwkeuriger en grondiger het onderscheid maken tussen wat aangenaam en onaangenaam is. Het prestige dat met dit deugdzame, eerbiedwaardige streven de behalen valt, stelt alle andere verlangens in de schaduw. Zodra iets onaangenaams van buitenaf deze houding doorbreekt of opheft, word je met de nek aangekeken. Enkel een deugdzame houding is zuiver en waarachtig goed, enkel een ondeugdzame houding is slecht. En alles wat hier tussenin zit (niet deugdzaam, niet ondeugdzaam) is niet goed en niet slecht. Toch waren het de stoïcijnen zelf die een onderscheid aanbrachten tussen wat verkieslijk [Lat. productiones] en wat niet verkieslijk is [Lat. relationes] en een ranking opstelden. Conclusie: als het gaat over een goed en gelukkig leven, beschouwt de stoïcijn genot en pijn niet als iets goeds, en niet als iets slechts, maar als iets onverschilligs.


Neigingen, zoals kreunen, zijn nu eenmaal niet uit te roeien. Dit is de natuur. En die valt niet onder de controle van de rede of de vrije wil

8 Bij je geboorte, vóór het ontstaan van de rede en het oordeelsvermogen, ben je al doordrenkt met deze primaire gevoelens van pijn en genot. Wat genot verschaft, trekt je van nature aan. Pijn stoot je van nature af; als een te duchten vijand. De rede komt pas later. Deze neigingen – in het begin diep bij je ingeplant – vanaf de wortel uit te rukken of verdelgen, is haast onmogelijk. Wel woedt tussen rede en neigingen een eeuwige strijd. Als neigingen weer de kop opsteken, houdt de rede ze in toom en trapt ze plat. Hij eist dat ze naar hem luisteren en op zijn kompas varen.

9 En ja, jullie zagen hoe de filosoof, in navolging van zijn stoïcijnse dogma’s, strijd leverde tegen een brutale ziekte, tegen hevige pijnscheuten. Hij gaf niet op en liet niets merken. In tegenstelling tot de meeste zieken jammerde hij niet, klaagde hij niet en noemde hij zichzelf geen pechvogel of een arme stakker. Je hoorde hem alleen wat moeilijk ademen en diep zuchten. Wat er overigens niet op wees of niet wilde zeggen dat hij overmeesterd werd door de pijn en onderuitging, wel dat hij de baas speelde over de pijn en die in toom hield."

10 "Hoe dan ook, je ziet hem strijden en zuchten", ging Taurus verder, "én je zou je kunnen afvragen: Waarom is die strijd en dat gezucht noodzakelijk als pijn geen kwaad is? Nu is het zo dat alles wat niet tot het kwade behoort [en dus onverschillig is, red.] niet echt schadelijk of gevaarlijk is [voor de rede, red.]. Het gaat immers niet om iets oneerbaars [d.i. kwaads]. Wel kunnen die zaken onaangenaam zijn [voor het lichaam, red.]. Als gevolg van een duistere natuurwet missen ze van nature elke mildheid of zachtheid. Een wijs man (8) kan ze verdragen en verduren, maar hij kan er niet voor zorgen dat hij die zaken volstrekt niet voelt. Daarom mogen de begrippen 'gevoelloosheid' (Gr. απαθεια) en 'gelatenheid' (Gr. αναλγεια) de prullenbak in. Ze deugen niet. Ook enkele geleerde mannen uit dezelfde stoïsche school vinden dit. Denk maar aan de voorname geleerde Panaetius (10).

11 Waarom wordt de stoïcijnse filosoof überhaupt tot zuchten gedwongen? Tegen zijn wil in? Men zegt toch dat hij nooit kan gedwongen worden? Nu, een wijs man kan zeker niet tot iets gedwongen worden zolang hij gebruik kan maken van zijn rede. Maar wanneer de natuur dwang uitoefent, oefent ze ook dwang uit op de rede, die de natuur heeft gegeven. Waarom sluit iemand onvrijwillig de ogen wanneer een hand voor zijn ogen heen en weer beweegt? Waarom wendt hij onvrijwillig zijn blik af bij het zien van bliksemschichten? Waarom schrikt hij – haast onmerkbaar, dat wel – bij een donderslag? Waarom schokt hij als hij niest? Waarom zweet hij als het bloedheet is? Waarom verstijft hij als het ijskoud is? Denk hierover maar eens na, als je wil.

12 Dit alles valt – net als vele andere fenomenen - niet onder de controle van de vrije wil, het denkvermogen of de rede (12). Dit zijn de wetten der natuur en dus onafwendbaar.


Vechten tegen de natuur is niet moedig. Pijn verbijten is meelijwekkend

13 Wie als een soort monster (13) tegen de natuur vecht en haar grenzen overschrijdt, is niet moedig. Die hardvochtige houding is onmenselijk. Zo’n verplichte exercitie in het verbijten van de pijn meelijwekkend. Het doet me denken aan die lompe gladiator – je kent hem wel - in de school van Caesar, die lachte zodra dokters hun messen in zijn wonden zetten. Echte, waarachtige moed daarentegen, is weten wat te verdragen is en wat niet. Onze voorvaderen wisten dat al.

14 Je ziet nu dat er ondraaglijke vormen van lijden bestaan die moedige mannen met zware tegenzin ondergaan en helemaal niet willen trotseren."

RAAMVERTELLING: TAURUS ZET REIS VOORT

15 Na dit verhaal, wilde Taurus nog meer vertellen, maar we waren al bij de wagen en en de anderen van de groep. We stapten op.

Noten bij de vertaling

(1) Taurus is onderweg naar de Pythische Spelen, in het gezelschap van zijn discipelen, wellicht rond het jaar 163. De Pythische Spelen waren een reeks wedstrijden ter ere van Apollo die om de vier jaar plaatsvonden in Delphi. De betekenis van het orakel van Delphi gaf deze Pythische Spelen heel wat aanzien die ze kennelijk nog niet waren verloren in de tijd van Taurus, gezien de mensenmassa die daar samenstroomde.

​​

(2) Deze ziekte stond bekend om de hevige pijn die ze veroorzaakte en ging gepaard met hoge koorts.

(3) Enkele studenten hebben de hele tijd bij de wagen gewacht. Kennelijk is er sprake van binnen een wat grotere studentengroep een wat kleinere groep die een bijzondere band met hun leraar onderhouden en die ‘hem volgden waarheen hij ook ging’ (§2). Gellius noemt hen iunctiores in NA 7.13.1.

(4) Die vraag beantwoordt Taurus van §7-10. Onverschillig is een typisch stoïcijns begrip en betekent ‘niet moreel goed en niet moreel slecht’.

(5) Die vraag beantwoordt Taurus van §11-12. In 13-14 geeft Taurus toelichting bij het begrip moed.

(6) Taurus kan de vragen beantwoorden met enig voorbehoud. Hij geeft toe dat hij niet geheel onbevangen en onkritisch tegenover het stoïcisme staat. Taurus is een middenplatonist.

(7) Over dit boek is verder niets bekend.

(8) Dit is geen valse bescheidenheid. Taurus maakt zo duidelijk dat hij de stoïcijnse leer niet onderschrijft en verinnerlijkt heeft. Deze afstand zorgt ervoor dat hij geen diepgaande, bewogen toespraak kan geven.

(9) Aristofanes, Ranae. 1445. In deze woorden schuilt natuurlijk kritiek op de stoïcijnse filosofen die op te gedetailleerde en breedvoerige wijze allerlei leerstellingen verdedigden.

(10) Een man is volgens de stoïcijnen wijs (Lat. sapiens) als hij leeft volgens de stoïcijnse voorschriften.

(11) Hoe Panaetius preciés dacht over het ideaal der gevoelloosheid is uit de schaarse overlevering moeilijk op te maken. Uit Taurus’ woorden (en ook andere bronnen bevestigen dit) blijkt dat Panaetius de mens niet zag als een zuiver redelijk wezen, maar als een redelijk én lichamelijk wezen. Dit maakt het mogelijk énige waarde te hechten aan ‘onverschillige zaken’, nl. die ‘verkieselijk’ zijn zoals gezondheid, en geld. Hét doel van de mens is het goede, maar een essentiële voorwaarde om dat te bereiken was volgens Panaetius de zorg voor het lichaam. Een andere bekende filosoof uit de midden Stoa die het ideaal der gevoelloosheid verwierp en aanpaste, was Posidonius. Deze mildere kijk wordt nagevolgd door leden van de late Stoa uit de keizertijd zoals Epictetus en Seneca.

(12) Over deze onbewuste reflexen (Gr. πϱοπαϴεια) citeert Gellius ook Epictetus

in NA 19.1.14.

(13) Een monster was in de oudheid een tegennatuurlijk wezen zoals ook een cycloop of centaur.

Literatuur

Marie-Louise Lakmann, Der Platoniker Tauros in der Darstellung des Aulus Gellius (Leiden, New York 1995), p. 120-149


René Marache, Aulu-Gelle. Les nuits attiques. Livres XI - XV (Parijs 2002)

John C. Rolphe, Gellius. Attic Nights. Books 6-13 (Londen 1946)


Meer weten?

Tinne Horemans, Aulus Gellius’ Noctes Atticae : een selectie van essays met stoïcijnse en cynische thematiek voorzien van inleiding, vertaling en commentaar (masterproef) (Brussel 2015), p. 38-39 en 49-54


Over Taurus in het werk van Aulus Gellius schreef ik het artikel: Tinne Horemans, College lopen in de oudheid. Gellius als lid van de inner circle, Hermeneus 92.4, p. 23-26

コメント


bottom of page