top of page
  • Tinne Horemans

17.1 Is Caelius' schoonheid een teken van ontucht?

Gallius Asinius en Larcius Licinus hadden kritiek op een uitspraak in Cicero’s verdedigingsrede Voor Caelius. Hierbij een doordacht en afgewogen betoog pro Cicero’s uitspraak en contra deze muggenzifters.

1 Er zijn vreselijke mensen die over de onsterfelijke goden krankzinnige onwaarheden beweren. Er zijn ook rare kwanten en getroebleerde figuren die dúrven schrijven dat M. Cicero niet onberispelijk, weldoordacht en volgens het boekje sprak. Onder meer Gallus Asinius en Larcius Licinus. Licinus publiceerde zelfs een boekwerk met een afgrijselijke titel Ciceromastix (1).

2-3 Waar deze twee van zichzelf denken blijk te geven van scherpzinnig taalkundig inzicht, wil ik even stilstaan. De rest van hun kritiek vind ik het vermelden niet eens waard.

4 Cicero’s bewuste uitspraak luidt (2): ‘Men beschuldigt M. Caelius (3) van onzedelijk gedrag [Lat. impudicitia]. Een officiële klacht dienen zijn aanklagers niet in. Nee, ze jouwen hem uit en maken hem zwart. Maar nooit zal Caelius dat zó dwarszitten dat het hem spijt [Lat. paenitet] mooi geschapen te zijn.’

5 Paenitet [Nl. het spijt me] is in deze context ‘niet correct’ vinden zij, sterker nog: ze noemen het ‘wat dommig’.

6 'Omdat men paenitēre in de regel gebruikt wanneer men niet meer tevreden is of anders gaat denken over iets wat men zélf heeft gedaan, gewild of beslist', schrijven zij.

7 'Dus’, zo gaan ze verder, 'niemand kan zeggen "dat het hem spijt zus of zo geboren te zijn" of "dat hij sterfelijk is" of "dat hij pijn heeft omdat hij – bij toeval - gewond raakt of zijn teen stoot". Dit is niet correct. Want dit soort zaken overkómen mensen – of ze dat nu willen of niet – conform dwangmatige natuurwetten, en niet omdat ze het zelf zo hebben gepland of beslist.

8 Ook het uiterlijk waarmee M. Caelius werd geboren', gaan zij verder, 'is dus niet zijn keuze. Cicero zegt dat "het hem niet spijt". Ja, hoe is het mogelijk? Alsof hier sprake is van iets waarvan je überhaupt spijt kán hebben.'

9 Het gebruik van paenitēre is correct als het gaat om dingen die men doet uit vrije wil. Dát is voor deze twee de portee van het woord. Onze voorouders gebruikten dit woord overigens ook in een andere betekenis, die verband hield met paene [Nl. bijna] of penuria [Nl. gebrek].

10 Maar dat is een andere kwestie, waar ik later op terugkom. We blijven even bij de betekenis die doorgaans aan paenitēre wordt gegeven. Nu, dan blijkt Cicero’s gebruik van het woord niet alleen volstrekt niet dommig, maar juist heel geestig en scherpzinnig.

11 Caelius had een prachtig lichaam. Lastertongen en tegenstanders van M. Caelius vonden zijn fraaie verschijning en zijn knappe gezicht verdacht: tekens van onzedelijk gedrag [Lat. impudicitia]. Maar zijn schoonheid als een slechte karaktertrek beschouwen? Het verwijt is absurd. En van deze ongerijmdheid maakt Cicero met ópzet gebruik: hij parodieert. Met de uitspraak ‘M. Caelius heeft geen spijt [Lat. paenitet] dat hij mooi is’ toont Cicero Caelius’ tegenstanders op scherpzinnige wijze en met het nodige dédain dat Caelius zijn schoonheid kwalijk nemen, alsof schoonheid een keuze is, volstrekt geen steek houdt.

Noten bij de vertaling

(1) Asinius Gallus (41 v. Chr. – 33 n. Chr.) was een ambitieus senator en literatuurkenner. Hij was de zoon van één van Cicero’s lasteraars Pollio, een Romeins politicus, een schrijver en getalenteerd redenaar. Het citaat komt uit Gallus’ De comparatione patris et Ciceronis waarin Gallus de voorkeur geeft aan de stijl van zijn vader Pollio boven die van Cicero. Gellius legt impliciet het verband met het pamflet van een tijdgenoot: Ciceromastix van Larcius Licinus.

(2) Pro Cael. 6

(3) Marcus Caelius Rufus behoorde in 63 v. Chr. tot de groep van Catalina en was twee jaar lang de minnaar van Clodia. Hij werd in 56 v. Chr. aangeklaagd en door Cicero verdedigd en vrijgesproken.


Literatuur

R. Marache, Aulu-Gelle. Les nuits Attiques. Livres XV-XX (Parijs 2002)


J.C. Rolfe, Gellius Attic Nights Books 14-20 (Londen 1946)


bottom of page