top of page
  • Tinne Horemans

4.14 Volkstribunen verdedigen prostituee

Hierbij een anekdote over de hogere aediel Hostilius Mancinus (1) en de prostituee Manilia. En ik citeer het besluit van de volkstribunen (2) waarop Manilia een beroep deed.


1 Ik las dit besluit in het negende hoofdstuk Publiekrecht (3) van Ateius Capito's mengelwerk Coniectanea. Ik vond dat het in zijn geheel getuigde van een ernst, die typisch is voor vroegere tijden.

2 Om die reden breng ik jullie weer in herinnering waarom en met welk doel dit besluit genomen werd.


3 Op een goeie dag daagde Aulus Hostilius Mancinus, een hogere aediel (4), de prostituee Manilia ten overstaan van het volk voor het gerecht. En dat omdat hij die nacht getroffen zou zijn door een steen afkomstig van haar etage. Mancinus liet het volk z'n gehavende gezicht zien.


4 Daarop deed Manilia een beroep op [het ius intercessionis van] de volkstribunen (5).


5 Ten overstaan van hen vertelde ze dat Mancinus uitgedost als een feestvierder (6) aan haar deur had gestaan en dat het haar geen goed idee leek hem binnen te laten; en dat ze, toen hij met geweld binnen probeerde te dringen, hem met stenen had weggejaagd.


6 De volkstribunen waren van mening dat de aediel terecht de toegang was ontzegd tot een plaats waar hij met dat kransje op z'n hoofd (7) helemaal niet hoorde te zijn (8). Ze tekenden daarom prostest aan en verhinderden zo dat de aediel de zaak aan het volk zou voorleggen (9).


Noten bij de vertaling


(1) Een aediel is een Romeins ambtenaar, belast met het onderhoud van de tempels (aedes) en met de organisatie van de publieke spelen. Een 'hogere aediel' (Lat. aedilis curulis) kwam uit de stand van de patriciërs (grootgrondbezitters). Er waren vier aedielen: twee uit het plebs (gewone volk), en twee uit de stand van de patriciërs.


(2) De volkstribunen waren Romeinse ambtenaren die het recht hadden de plebejers (de massa van het volk, in tegenstelling tot de stand van de grootgrondbezitters, de patriciërs) te beveiligen (ius auxilii), de beslissingen van alle gezagdragers (ook van hun eigen collega's) tegen te houden (ius intercessionis) en zij waren onschendbaar. Hun macht groeide in de loop der Romeinse geschiedenis hoe langer hoe meer, en de keizers maakten van die macht de hoeksteen van hun eigen machtspositie, door zich elk jaar tot volkstribuun te laten benoemen.


(3) In werkelijkheid zou het om het achtste hoofdstuk gaan, De officio senatorio. Frag., 1, p. 283 Bremer.


(4) Wanneer is onbekend. Munzer (cf. R.E., s.u., nr. 17) identificeert dit personage als iemand die deel uitmaakte van een ambassade die naar Bithynië was gestuurd om bepaalde geschillen in de koninklijke familie te beslechten. Cato de Oudere, die dit gezantschap bespotte, had van hem gezegd dat hij een tegel op zijn hoofd had gekregen.


(5) De term is provocavit, die normaal gesproken wordt gebruikt om een ​​beroep te doen op het volk voor een beslissing van een Romeins ambtenaar. Hier spreekt Manilia de volkstribunen toe om zich te verzetten tegen de juridische stappen door middel van het ius intercessionis (zie noot 2).


(6) cōmissātor, ōris m (comissor) 1. drinkmakker; deelnemer aan een vrolijke optocht;

2. handlanger [coniurationis].


(8) corōllārium, ī n (corolla) kransje, ihb. als geschenk voor toneelspelers en andere kunstenaars; oorspr. van echte bloemen, daarna verguld of verzilverd of van goud of zilver, later vervangen door geld of andere geschenken, vd. ook: geschenk, toeslag, fooi.


(7) Dat wil zeggen in de hoedanigheid van comissator of feestvierder (die net bij een drinkgelag is weggegaan). Een aediel zou zo'n plaats officieel kunnen bezoeken om tavernes en bordelen te reguleren. Die controle behoort zijn bevoegdheden.



Literatuur


R. Lenaers, Verba (Mechelen 2006)


R. Marache, Aulu-Gelle. Les Nuits Attiques. Livres I-IV (Parijs 2002)


J.C. Rolfe, Aulus Gellius. The Attic Nights. Books 1-5 (Londen 1946)

コメント


bottom of page