top of page
  • Tinne Horemans

5.11 Trouwen doe je beter niet, zegt de wijze Bias

Bias’ syllogisme over het huwelijk kan je onmogelijk beschouwen als een ἀντιστρεφον.

1 Sommigen denken dat onderstaand antwoord van Bias, de beroemde wijze, een ἀντιστρεφον (1) is; net als het antwoord van Protagoras, waarover ik net sprak (2).


Bias' redenering

2 Toen iemand Bias vroeg of hij met een vrouw moest trouwen, of een ongehuwd leven moest leiden, was het antwoord: "Wat vaststaat is dit: je trouwt met een mooie of met een lelijke vrouw. Trouw je met een mooie vrouw, dan deel je haar met iedereen. Trouw je met een lelijke vrouw, dan loopt elke man om haar heen (3). Geen van beide opties is begerenswaardig. Conclusie: trouw niet."

3 Maar zij keren dit antwoord om op deze manier (4): "Trouw je met een mooie vrouw, dan loopt niet elke man om haar heen. Trouw je met een lelijke vrouw, dan deel je haar niet met iedereen. Conclusie: trouw."


Bias' redenering is onomkeerbaar en de disjunctie is niet geldig


4 Nu lijkt het er helemaal niet op dat het hier om een ‘omkeerbare redenering’ (Gr. ἀντιστρεφον) gaat. Omgekeerd is het argument namelijk zwakker, minder overtuigend.

5 Want wat Bias beweert, is dat een man niet moet huwen omdat hij onvermijdelijk, zodra hij getrouwd is, tegen één van beide problemen (Lat. incommoda) aanloopt.

6 Maar wie Bias’ redenering omkeert, behoedt een man niet voor een bestaand probleem, hij zegt dat hij vrij is van een niet-bestaand probleem.

7 Om Bias’ uitspraak (Lat. sententia) aannemelijk te maken zou het volstaan als de gehuwde man onvermijdelijk met één van deze twee problemen te maken krijgt: elke man loopt om zijn vrouw heen, of hij deelt haar met iedereen.

8 Maar toen die redenering (Lat. syllogismus) van Bias toevallig ter sprake kwam, zei (5) mijn vriend Favorinus (6) dat de eerste stelling, nl. 'Je trouwt met een mooie of met een lelijke vrouw' geen geldige, correcte disjunctie is. In een disjunctie (Lat. proloquio diiunctivo) is noodzakelijk één van beide delen waar,


Tussen 'bloedmooi' en 'aartsgelijk' is nog een derde categorie: de onopvallende schoonheid

9 en in Bias’ disjunctie is dat niet noodzakelijk zo. Want Bias bedoelt met 'mooi' en 'lelijk' duidelijk 'bloedmooi' en 'aartslelijk' (7)

10 terwijl er tussen die twee extremen nog een derde categorie bestaat die hij over het hoofd heeft gezien, waarmee hij geen rekening heeft gehouden.

11 Tussen een beeldschone dame en een aartslelijke vrouw bevindt zich namelijk de modale verschijning: niet mooi genoeg om het hoofd van mannen op hol te brengen, niet lelijk genoeg om hen af te stoten (8).

12 Een vrouw die Quintus Ennius in zijn Melanippa (9) erg treffend als 'evenwichtig' (Lat. stata) typeert: zij wordt noch gedeeld met iedereen (neque κοινη); noch loopt elke man om haar heen (neque ποινη) (10).


Huwelijksmateriaal


13 Favorinus noemt deze onopvallende, pretentieloze schoonheden - bij Hercules, hij is niet dom - ‘huwbaar’.

14 Ja, want Ennius zegt in die tragedie, die ik zonet noemde, over deze 'evenwichtige schoonheden' [Lat. stata forma] dat ze bijna altijd in het bezit zijn van een onbevlekte kuisheid [Lat. incolumi pudicitia].


Noten bij de vertaling


(1) (Gr. van στρεφειν = draaien), een 'omkeerbare redenering’. Gellius introduceert 'omkeerbare redeneringen of argumenten' (in het Grieks 'antistrephon' en in het Latijn 'reciproca') in het voorgaande essay 5.10 als "een redenering die omkeerbaar is en gebruikt kan worden tegen de persoon die het presenteerde" (Gell. 5.10.3): diotima-doctafemina.org (geraadpleegd op 3/11/'23)


(2) In het essay ervoor: NA 5.10 dus.


(3) In het Grieks maakt Bias gebruik van een woordspeling en rijm: κοινη betekent zoiets als ‘gemeenschappelijk goed’ en ποινη ‘straf’. Ik moest het syllogisme vrijer te vertalen om de premissen te laten rijmen.


(4) 'Ze' slaat op 'Sommigen' in de 5,1,1. Lees hoe Gellius in NA 5.10 het conflict tussen Protagoras, een beroemde leraar retoriek, en zijn leerling Euathlus gebruikt om het 'omkeerbare redenering' te illustreren.

Aan het begin van zijn retorische opleiding betaalde Euathlus Protagoras de helft van het collegegeld en zou de rest te betalen als hij zijn eerste rechtszaak won. Toen Euathlus vervolgens weigerde rechtszaken aan te nemen, vermoedde Protagoras dat zijn voormalige student de rest van zijn collegegeld niet wilde betalen en daagde hij hem voor de rechter.

Protagoras zei dat zijn student hem zou moeten betalen, wat de jury ook zou beslissen. Als de juryleden in het voordeel van Protagoras zouden beslissen, dan zou Euathlus hun oordeel moeten volgen en Protagoras moeten betalen. Maar als ze in het voordeel van Euathlus zouden beslissen, dan zou de student zijn eerste zaak gewonnen hebben en Protagoras iets verschuldigd zijn.

Euathlus beweerde het tegenovergestelde: als de juryleden in zijn voordeel zouden beslissen, zou hij hun vonnis volgen en Protagoras niets betalen. Maar als ze in het voordeel van Protagoras zouden beslissen, zou hij zijn eerste zaak verloren hebben en zijn leraar niets verschuldigd zijn. Geconfronteerd met dit dilemma weigerden de juryleden een uitspraak te doen: diotima-doctafemina.org (geraadpleegd op 3/11/'23)


(4) In het Grieks maakt Bias gebruik van een woordspeling en rijm: κοινη betekent zoiets als ‘gemeenschappelijk goed’ en ποινη ‘straf’. Ik moest het syllogisme vrijer te vertalen om de premissen te laten rijmen.


(5) Favorinus Frag. 122 en noot A. Barigazzi, Firenze, 1966, die een lijst geeft van de documenten waarin deze spreuk voorkomt en van de auteurs aan wie hij is toegeschreven. Onder hen in het bijzonder Bion van Borysthenes (Diog. Laert. 4,48) die Aulus Gellius verward kan hebben met Bias. Maar de spreuk is ouder: hij gaat terug op Theophrastus, en verder tot de auteurs van oude komedies. Vgl. A. Bargazzi, ad locus. Deze benadert de toespraak van Favorinus in 12,1 over borstvoeding en sluit de invloed van een verhandeling van Favorinus over het huwelijk niet ui


(6) Over Favorinus in het werk van Aulus Gellius lees je meer in: Tinne Horemans, Prikkelend, praktisch en een horzel in de pels. Favorinus in de Attische Nachten. Hermeneus 91-2 (2019).


(7) Letterlijk: de uiterlijke extremen (Lat. eminentia quadam formarum)


(8) Letterlijk: vrij van het gevaar waaraan extreme schoonheid is blootgesteld en vrij van de afkeer die extreme lelijkheid opwekt.


(9) Ennius Frag. 118 Jocelyn. J.D. Jocelyn, The Tragedies of Ennius (Cambridge 1969). Naar een samenvatting van Euripides’ tragedie (grotendeels verloren gegaan) De wijze Menalippe.


(10) Letterlijk: geen κοινη (‘gemeenschappelijk goed’) en geen ποινη (‘straf’.​): zie voetnoot 3.



Literatuur

René Marache, Aulu-Gelle. Les nuits attiques. Livres I-IV (Parijs 2002)

John C. Rolphe, Gellius. Attic Nights. Books 1-5 (Londen 1946)​



Comments


bottom of page