top of page
  • Tinne Horemans

7.7 Een vrouw met buitengewone privileges

Dit essay gaat over Acca Larentia en Gaia Taracia; en over het ontstaan van het priesterschap van de Akkerbroeders (Lat. Fratres Arvales)

1 De namen Acca Larentia en Gaia Taracia (die laatste wordt soms ook Fufetia genoemd) komen erg vaak voor in de oude jaarboeken (1). De eerste werd na haar dood, en Taracia nog tijdens haar leven, enorm veel eer bewezen door het Romeinse volk.

2 Taracia was zonder twijfel een Vestaalse maagd (2). Dat bewijst de wet van Horatius (Lat. lex Horatia), die vanwege haar bij het Romeinse volk werd ingediend. Deze wet gaf Taracia heel wat privileges zoals ook het recht om getuigenis af te leggen (3). En dat privilege werd haar gegeven zodat zij als enige vrouw van alle vrouwen testabilis was [en dus het recht had om getuigenis af te leggen, red.].

3 Dit woord vind je terug in de wet van Horatius zelf; en het antoniem in de Wet van de Twaalf Tafelen: 'Laat hem verdorven zijn en intestabilis, "gespeend van het recht om te getuigen".' (4)

4 Bovendien, als ze op haar veertigste of uit het priesterambt zou willen stappen, of zou willen trouwen, dan werd haar het recht en het privilege toegekend om weer een gewone vrouw te worden en te trouwen. Dit vanwege haar vrijgevigheid en goedheid: ze zou de vlakte aan Tiber of het Marsveld aan het volk weggegeven hebben.

5 Acca Larentia gaf daarentegen haar lichaam aan het volk: een erg lucratieve broodwinning (5).


6 Volgens Antias benoemde ze koning Romulus tot erfgenaam van haar goederen (dat meldt hij in zijn Jaarboeken). Anderen schrijven dan weer dat ze het Romeinse volk erfgenaam maakte van haar bezit.

7 Vanwege deze weldaad bracht Quirinus' priester (Lat. flamen Quirinalis) voor haar een openbaar offer. Ook werd een dag naar haar vernoemd en toegevoegd aan de jaarkalender (Lat. fasti) (7).


(8) Maar Masurius Sabinus zegt in zijn eerste boek Memoralia, net als andere geschiedschrijvers, dat Acca Larentia de voedster was van Romulus (8). "Deze vrouw", schrijft hij, "had twaalf zonen, van wie ze er één verloor omdat hij stierf. Bij haar thuis gaf hij zich als zoon aan Acca en noemde hij zichzelf en de overige zonen 'Akkerbroeders'. Sinds die tijd was er altijd een college van Akkerbroeders, twaalf in getal. Het onderscheidingsteken van dit priesterambt is een krans van korenaren en witte spelden."


Noten bij de vertaling


(1) In de jaarboeken werden de belangrijkste gebeurtenissen van het jaar opgeschreven; in het begin door de pontifices (priesters) bijgehouden (vandaar: annales pontificum of annales maximi genoemd). De eerste Romeinse geschiedschrijvers (annalisten) namen deze vorm van berichtgeving per jaar over, vandaar betekent annalis ook: alg. geschiedkundig werk, geschiedenis, geschiedkundige verhandelingen, waarin de stof met inachtneming van de chronologie jaar voor jaar behandeld wordt.

(2) De namen Fufetia en Taracia zijn waarschijnlijk Etruskisch. Het verhaal van Taracia Gaia is een kopie van dat van Acca Larentia. De man van Acca heette Tarutius en het terrein dat Acca het volk naliet heette ager Turax: Marache (2002) 209.

(3) Deze privileges werden in werkelijkheid toegekend aan alle Vestaalse maagden.

(4) 8.22 De tekst citeert Gellius in AN 15.13.11.

(5) Acca Larentia wordt vaker genoemd, maar de karaktertekeningen verschillen van elkaar. Macrobius (1.10.13) vertelt dat ze een rijk huwelijk zou hebben, en, erfgename van alle eigendommen van haar man, zou ze het volk heel wat aanzienlijke domeinen nagelaten hebben. Deze domeinen worden volgens Macrobius vermeld door Cato de Oudere: Marache (2002) 209

(7) De Larentalia werden op 23 december gevierd. Volgens Varro (L.L 6.23) door een offer te brengen in de laaggelegen wijk Velabrum bij het graf van Acca Larentia: Marache (2002) 209.

(8) Heel veel schrijvers identificeren Acca Larentia met de voedster van Remus en Romulus, de vrouw van Faustulus, de herder die de tweeling in huis nam: Marache (2002) 210.


Literatuur


R. Marache, Aulu Gelle. Les Nuits Attiques. Livres V-X (Parijs 2002)

J.C. Rolfe, Aulus Gellius. The Attic Nights. Book 6-13 (Londen 1946)

Comments


bottom of page