top of page
  • Tinne Horemans

1.15 Babbelzucht is een ondeugd

Vrijpostig is het, onuitstaanbaar ook, dat ijdele, nietszeggende geleuter. Hoe vaak is dit, en terecht, verdoemd en vermaledijd door de grootste schrijvers, Griekse en Latijnse.


Waardeloze kletsmajoors

1 Wie zijn die leeghoofden, die waardeloze kletsmajoors, die zonder gêne en zonder enige kennis van zaken onsamenhangende teksten uitkramen, alsof ze een borrel te veel op hebben? Hun gedachtes vormen zich niet in het hart, beweert men, maar ontstaan op hun lippen. Juist! Ook zou hun tong niet vrij mogen zijn, vinden zij, of ongebonden. Gestuurd moet die worden, of ‘gemend’ met riemen vastgebonden aan het hart, diep in de borstkas.

2 Iedereen ziet toch hoe die lui hun woorden lijken uit te spuwen: zonder de moeite te nemen even na te denken, zo ingenomen met zichzelf. Wat een hoogmoed! Ze lijken te spreken zonder nog te weten dat ze überhaupt aan het spreken zijn.


Odysseus daarentegen


3 Odysseus daarentegen, wijs en welsprekend, laat woorden niet stromen ‘uit zijn mond’, schrijft Homerus, maar opwellen ‘uit zijn borst’. Wat overigens niets te maken heeft met Odysseus’ stemtimbre of manier van spreken, maar alles met de inhoud van zijn gedachten, die diep vanbinnen gestalte krijgen. Ook schrijft Homerus – treffend – dat onze tanden een bolwerk vormen tegen onbeheerst taalgebruik. Dus niet alleen de zorg en de waakzaamheid van het hart behoedt ons voor ondoordacht spreken, maar ook de ‘schildwachten’ in de mond.


4 Hierbij de precieze woorden van Homerus:


Uit zijn borst weerklonk die grandioze stem (2)


en:


Wat een gedachte ging door het bolwerk van uw tanden heen (3)


Cato de Oudere en Cicero over de praatziekte


5 En ik citeer ook M. Tullius. In alle ernst en to the point hekelt hij die oeverloze, dwaze en gratuite beuzelpraat.


6 "Dit staat vast. Er zijn mensen die iets weten, maar wat ze weten niet onder woorden kunnen brengen. Hun gebrek aan welsprekendheid is erg vervelend. Maar er zijn ook mensen die niets van iets afweten en dan maar in het luchtledige kletsen. Hun domheid is hemeltergend. Als ik moet kiezen, dan liever wijsheid zonder welsprekendheid dan geklets zonder wijsheid."


7 Ook schrijft hij in het eerste hoofdstuk van De ideale redenaar: "Wat is er krankzinniger dan mooie, welluidende zinnen die hol klinken omdat er geen inhoud of wijsheid in besloten ligt?" (4)


8 Cato echter, leverde op deze ondeugd de scherpste en felste kritiek.

9 In zijn redevoering Als de volkstribuun Caelius hem had aangeklaagd staat (5): "Nooit zal een praatzieke [Lat. quem morbus tenet loquendi] zwijgen. Zoals een sufferd [Lat. veternosum] nooit ophoudt met slapen of drinken. Als zo iemand jullie dan bij elkaar zou roepen voor een overleg, dagen jullie niet op. Hij spreekt zo graag dat hij iemand geld zou geven om naar hem te luisteren. Gevolg? Jullie horen hem wel, maar luisteren niet; alsof er een kwakzalver voor jullie staat. Zijn woorden worden wel gehoord, maar geen zieke neemt hem serieus."


10 In deze redevoering (6) veegt Cato voor een tweede keer dezelfde volkstribuun, M. Caelius, de mantel uit. Omdat hij niet alleen voor zijn spreken (7) een lage prijs vroeg, ook voor zijn zwijgen. Cato schrijft: "Voor een stuk brood kan je hem inhuren: zowel om te zwijgen als om te spreken."


Thersites is een brabbelaar


11 Niet geheel zonder reden noemt Homerus Thersites als enige van alle Grieken ἀμετροεπῆ [Nl. ongebreideld van tong] en ἀκριτόμυθον [Nl. een brabbelaar; letterlijk: verwarde taal sprekend] omdat hij breedvoerig is en ἂκοσμα [Nl. omslachtig] spreekt (8), te vergelijken met het eindeloze gekras van kraaien.


12 Is dat niet de betekenis van ἐκολῲα [Nl. hij zwetste] (9)?


Citaten van Eupolis, Sallustius en Epicharmus


En in dit vers heeft Eupolis het duidelijk ook over dit menstype:


Een uitstekende kletsmajoor, een waardeloze spreker (10),


13 wat Sallustius, die het in het Latijn wilde zeggen, zo omschrijft:


14 'Eerder babbelziek dan welbespraakt.' (11) Daarom zegt Hesiodus, de scherpzinnigste van alle dichters, dat je met je tong niet kwistig, maar behoedzaam om moet gaan, zoals met een schat. De tong toont zich van haar meest charmante zijde als ze bescheiden, beheerst en bedaard is.


Het nobelste geschenk voor de mensheid is de tong.

Die aan charme wint als ze afgemeten spreekt en zuinig is met woorden (12).


15 Dit vers van Epicharmus is ook treffend:


Jij bent niet bedreven in het spreken, je kan onmogelijk zwijgen. (13)


16 waaruit ongetwijfeld dit vers is afgeleid: 'Hoewel hij niet kon spreken, kon hij niet zwijgen.'


Favorinus' kijk


17 Favorinus hoorde ik ooit zeggen dat dit fragment van Euripides:


Ongetemde monden,

Bandeloze dwazen,

Er komt alleen ellende van. (14)


niet alleen over mensen gaat die goddeloze taal uitslaan en onaanvaardbare dingen zeggen, maar vooral over lieden die kletsen uit hun nek en niet van ophouden weten. Wier tong zo schaamteloos en zo impulsief constant in beweging is, kolkend in de smerigste droesem van de taal. Dit slag mensen noemen de Grieken erg veelzeggend: κατάγλωσσοι [Nl. kletskousen].


18 Volgens een vriend van hem, een slimme man, las de excellente taalkundige Valerius Probus de beroemde uitspraak van Sallustius satis eloquentiae, sapientiae parum (15) [Nl. behoorlijk welbespraakt, maar weinig wijsheid] aan het eind van zijn leven anders, nl. als satis loquentiae, sapientiae parum [Nl. behoorlijk bespraakt, maar weinig wijsheid]. Ook beweerde hij met klem dat Sallustius het zo aan ons heeft nagelaten. Het woord loquentia [Nl. bespraaktheid] is typisch voor Sallustius, want hij houdt van neologismen. Overigens sluit eloquentia [Nl. welbespraaktheid] onvoldoende wijsheid uit (16).


Aristophanes' visie


19 Aristophanes, die buitengewoon grappige dichter, hekelde deze praatzucht, die eindeloze woordenbrij, die ijdele grootspraak treffend in deze woorden:


De mens die onbehouwen taal uitslaat, de zelfingenomen spreker,

Bandeloos, teugelloos, met onbeheerste mond,

Lawaaierig en bombastisch. (17)


20 En onze voorouders noemden dit soort mensen die zwelgen in woorden even treffend locutuleios, blaterones en linguaces [Nl. kletskoppen, leuteraars en wauwelaars]. (18)

Noten bij de vertaling


1) Volgens de Romeinen zetelt het verstand in het hart.


2) Ilias, III 221


3) Ilias, IV 350


4) Het gaat om M. T. Cicero, uit: De oratore, 3.35.142 en 1.12.51. 1.12.51: Cicero bedoelt hier iets heel anders dan Aulus Gellius. Cicero wil een eenheid tussen retoriek en filosofie, tussen spreken en weten. Het gaat hier niet over babbelzucht of ijdel gepraat: Marache (2002), p. 54


5) Noch de exacte naam van de tegenstander is bekend, het kan diegene zijn die door Festus zijn (344M) of Macrobius (2.10) Caelium senatorem wordt genoemd, noch de omstandigheden van het proces, noch de precieze betekenis van de titel, die op verschillende manieren wordt opgevat, cf. H. Malcovati, Frag. Or. Rom., p. 46: Marache (2002), p. 54. Voor dit fragment: zie H. Jordan, M. Porci Catonis praeter librum de re rustica quae extant (Leipzig 1860), xl. 1. Die 'hem' in de titel (Lat. se) verwijst naar Cato zelf: Rolfe (1946), p. 74


6) Voor dit fragment: zie H. Jordan, M. Porci Catonis praeter librum de re rustica quae extant (Leipzig 1860), xl. 2


7) Hierbij gaat het ook niet om babbelzucht of ijdel gepraat: Marache (2002), p. 54


8) Resp. Ilias, II 212, 246, 213


9) Ilias, II 212


10) Voor dit fragment: zie T. Kock, Comicorum Atticorum Fragmenta (Leipzig 1880-8), frag. 95. Eupolidis floreerde tussen 430 en 410 en behoorde samen met Aristophanes en Cratinos tot de grote dichters van de Oude Komedie.


11) Voor dit fragment, zie B. Maurenbrecher, C. Salusti Crispi Historiarum Reliquiae, Leipzig, 1891-3, IV, 43


12) Werken en dagen, 719


13) Voor dit fragment: zie G. Kaibel, Comicorum Graecorum Fragmenta (Berlin 1899), frag. 272


14) Bacchae, 386


15) Cat. V.4. Enkel recente manuscripten geven de lezing loquentia.


16) Omdat het begrip eloquentia niet alleen verwijst naar verbale techniek, maar ook naar alle vormen van kennis en wijsheid.


17) Ranae, 837 ev.


18) Locutuleiae reparaît chez Non., 50 M, blatero ne se retrouve dans les scholies d’Horace, Sat., 1.2.2 en 2.7.35. Le verbe blaterare est moins rare.

Literatuur

R. Marache, Les Nuits Attiques Livres I-IV (Parijs 2002)

J. C. Rolfe, Gellius Attic Nights Books 1-5 (Londen 1946)

Comments


bottom of page